Textielnijverheid in en rond Winterswijk

Van oudsher bezat Winterswijk een bloeiende textielnijverheid. Dat gaat terug tot in de Middeleeuwen, toen boeren zelf hun vlas tot linnen weefden. Winterswijk was vanaf de 17e eeuw bekend om haar uitgebreide, gespecialiseerde vlasmarkt. Er waren tientallen boerderijen die vlas verbouwden en voor de bewerking ervan stukken land ter beschikking hadden. Bij de boerderijen Oossink in Kotten en Te Veene in het Woold de enige twee bekende vlasovens in de wijde omgeving. Voorts bestonden rond Winterswijk meerdere bleekvelden om het geweven doek een heldere kleur te geven.

In de 18e en 19e eeuw veranderde er veel: katoen werd populair. Aanvankelijk weefde men stoffen met lengtedraden uit katoen en de inslag van linnen (bombazijn). Uit de huisnijverheid ontwikkelden zich vanaf 1835 werkplaatsen met meerdere handweefgetouwen bij elkaar. Na de komst van stoommachines, na 1860, werden dit grote textielfabrieken. Toen er ook stoomschepen kwamen en spoorwegen werden aangelegd, werd het veel gemakkelijker om katoen in grote hoeveelheden te verkrijgen en werd veel minder linnen geweven en gedragen.

Eeuwenlang was de textielindustrie een economische factor van betekenis in Winterswijk. Er waren zeven stoom gedreven fabrieken en vele generaties Winterswijkers, duizenden mensen, hebben in de textiel hun boterham verdiend.


Vanaf de jaren 1960 kwam de textielindustrie in een neerwaartse spiraal terecht. De fabrieken in Winterswijk – maar ook elders – konden de concurrentie met de goedkope textiel uit het buitenland niet meer aan. De ene na de andere fabriek moest sluiten. Maar nog steeds bezit Winterswijk een kleinschalige textielnijverheid, enkele bedrijven die specifieke, zeer hoogwaardige producten maken, en die nog steeds aan enkele tientallen mensen werk biedt.


 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.